WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Onderwerp:
De invloed van een osteopatische manipulatie
van het os carpus accessorium (os pisiforme (A)) op de mobiliteit
van de distale phalanx (B) bij het paard, gemeten via een druksensorsysteem:
een pilootstudie
Doel:
De aandoeningen van het bewegingsapparaat zijn
inderdaad de eerste en de voornaamste oorzaken van insufficiëntie
tegenover inspanning, alsook van een herklassering van het sportpaard.
60 % van de letsels betreffen het voorbeen. 95% hiervan zijn onder
de carpus (voorknie) gelocaliseerd en staan in verband met de
osteo-articulaire structuren. Het podotrochleair syndroom (hoefkatrol)
alleen al beslaat 35 % van het chronisch manken van het voorbeen.
Graag hadden we met dit werk aangetoond hoe belangrijk een goede
functie van het os carpus accessorium (A) is, om een evenwichtige
verdeling van de krachten ter hoogte van de voorvoet (B) te bekomen.
Uit de literatuur kunnen we besluiten dat men het algemeen eens
is over het belang van een evenwichtige verdeling van de krachten
ter hoogte van de voorvoet (Hoof Balance). In de praktijk maakt
men vooral gebruik van een orthopedisch beslag om een zo goed
mogelijk evenwicht ter hoogte van de voorvoet te bekomen. Men
vindt echter nergens in de literatuur een relatie terug tussen
het os carpus accessorium en de verdeling van de inwerkende krachten
ter hoogte van de distale phalanx (hoef). Wij denken dat een goede
mobiliteit van het os carpus accessorium een positieve invloed
heeft op de mobiliteit van de distale phalanx en zo de belasting
in positieve zin kan beïnvloeden.
Materiaal en werkwijze:
Er
werden in totaal 11 paarden geselecteerd, volgens specifieke inclusie-
en exclusiefactoren. De proefdieren werden ad random ingedeeld
in een controlegroep, een eerste testgroep waar een meting voor-
en na manipulatie werd uitgevoerd en een tweede testgroep waar
een derde meting werd uitgevoerd twee weken na de eerste meting.
Alle paarden werden op het krachtenplateau geplaatst in neutrale
stand. Het gaat om statische opnamen in unipodale stand links
en rechts. Alle paarden werden 1 week voor de metingen ontdaan
van hun hoefijzers en gekapt door éénzelfde smid.
Er werd gebruik gemaakt van een footscan meetdruksysteem type
RSscan dat speciaal ontwikkeld werd voor uiterst nauwkeurige registratie
van de verticaal inwerkende krachten.
Resultaten:
Het experiment gebeurde telkens volgens een
gestandaardiseerd schema. Tijdens het onderzoek werd rekening
gehouden met volgende parameters:
-
Centre of force (C.O.F): resultante van de verticale krachten
die op de zool van de hoef inwerken
-
Lateral integral force (L.I.F): het totaal van de krachten
die op het laterale deel van de zool inwerken
-
Medial integral force (M.I.F): het totaal van de krachten
die op het mediale deel van de zool inwerken
-
Relatie L.I.F/M.I.F: de latero-mediale of de medio-laterale
verplaatsing van de inwerkende krachten
Wat betreft de C.O.F kunnen we stellen dat
er van de 18 geldige afdrukken 10 gevallen een centrale ligging
kregen na manipulatie, 7 afdrukken waarvan er 4 reeds een centrale
ligging hadden voor manipulatie ondergingen geen verandering
en in 1 geval kregen we een slechtere ligging van het C.O.F.
Voor de L.I.F en de M.I.F hebben we 13 metingen waar we een
belangrijke latero-mediale of medio-laterale verandering zien
(zie figuur 1,2,3). Dit wijst op een belangrijke
herverdeling van de verticaal inwerkende krachten ter hoogte
van de distale phalanx en zorgt zo voor een beter evenwicht
ter hoogte van de voorvoet.
Bij 5 metingen waar men een verhoogde L.I.F of M.I.F terugvindt
na manipulatie is het belangrijk om de antero-posterieure (voor-achterwaartse)
of postero-anterieure verplaatsing na te kijken. Zo krijgen
we in 3 van de 5 overblijvende gevallen nog een algemeen betere
verdeling van de verticale krachten ter hoogte van de distale
phalanx.

Voor manipulatie

Na manipulatie

2 weken na manipulatie
Algemeen besluit:
Bij testgroep 2 (twee weken na de eerste meting)
konden we echter zien dat van de 7 bruikbare afdrukken 4 gevallen
terug naar de situatie van vóór de eerste meting
gingen, 1 geval had een slechter resultaat en 2 gevallen bleven
met een goede belasting ter hoogte van de distale phalanx.
Men kan dus concluderen dat er een positieve invloed is na manipulatie
van het os carpus accessorium in relatie tot de belasting ter
hoogte van de voorvoet, maar om een blijvend resultaat te bekomen
is een osteopatische aanpak onontbeerlijk. In de praktijk blijkt
dat er een aantal factoren zijn die een dysfunctie ter hoogte
van het os carpus accessorium in de hand werken.
|